Landbouw

Besluit huisvesting

Het Besluit ammoniakemissie veehouderij (Besluit huisvesting) is op 1 april 2008 in werking getreden. Het Besluit huisvesting bevat maximale ammoniakemissiewaarden waaraan ieder bedrijf in heel Nederland moet voldoen, dat melkkoeien, varkens of kippen houdt.

Het besluit bepaalt dat dierenverblijven, waarvoor emissie-arme huisvestingssystemen beschikbaar zijn, op den duur emissie-arm moeten zijn uitgevoerd.

Het Besluit heeft een rechtstreekse werking. Rechtstreeks houdt in dat het bedrijf aan het gestelde in het besluit moet voldoen. De beoogde wijziging moet echter wel door middel van een aanvraag voor een vergunning of melding worden vergund.

Datum op grond van het Besluit huisvesting

Uiterlijk 1 januari 2010 moeten bestaande stallen aan de maximale emissiewaarden van het besluit voldoen. Hierop zijn twee uitzonderingen:

  1. voor enkele diercategorieën in de pluimveehouderij geldt voor stallen, waarvoor ná 1 januari 1997 de milieuvergunning (op grond waarvan de stal is gerealiseerd) is verleend, een overgangstermijn tot 1 januari 2012 (zie bijlage 2 bij het Besluit huisvesting, voetnoot 1);
  2. zolang van een diercategorie niet meer dieren worden gehouden dan het aantal dat in bijlage 2 bij het Besluit huisvesting is aangegeven, geldt voor die diercategorie een overgangstermijn tot 1 januari 2013 (zie bijlage 2, derde kolom).

Actieplan ammoniak

Op veehouderijen die vanaf 1 januari 2010 in overtreding zijn van het Besluit huisvesting, is mogelijk landelijk gedoogbeleid van toepassing. Om in aanmerking te komen voor dit gedoogbeleid moest door de ondernemer voor 1 april 2010 een plan van aanpak, bij het bevoegd gezag, zijn ingediend. In het plan van aanpak moet o.a. een stappenplan zijn opgenomen waarin staat hoe en op welke termijn het bedrijf aan het Besluit gaat voldoen.

Op de volgende punten heeft het Actieplan ammoniak geen invloed:

  1. nieuwe stallen moeten direct voldoen aan de maximale emissiewaarden uit het Besluit huisvesting;
  2. voor IPPC-bedrijven verandert er niets en zij krijgen dus geen extra tijd om bestaande niet-emissiearme stallen aan te passen. Deze stallen kunnen tot uiterlijk 1 januari 2010 beste beschikbare technieken (BBT) zijn, onder de voorwaarden zoals genoemd in de oplegnotitie bij de BREF intensieve veehouderijen (bij pluimveehouderijen soms tot 1 januari 2012). Na afloop van deze termijnen kan het bevoegd gezag handhaven op grond van het Besluit huisvesting. De vergunning van IPPC-bedrijven moest uiterlijk op 30 oktober 2007 BBT zijn.

Waar u als gemeente alert op moet zijn, zijn de taken die voortvloeien uit het in werking treden van het Besluit huisvesting.

De taken die voortvloeien uit het in werking treden van het Besluit huisvesting zijn:

  1. intensieve veehouderijen inzichtelijk maken;
  2. van elk bedrijf het aantal stallen en de bouwdatum inzichtelijk krijgen;
  3. IPPC-bedrijven door middel van handhaving op een aanvraag aansturen;
  4. van de niet-IPPC-bedrijven inzichtelijk maken welke bedrijven een BOP hebben ingediend;
  5. van de niet-IPPC-bedrijven zonder ingediende BOP de bedrijven door middel van handhaving op een aanvraag aansturen (stal moet voldoen aan het Besluit huisvesting van 1 januari 2010 tot en met 1 januari 2012);
  6. van de niet-IPPC-bedrijven met ingediende BOP de bedrijven door middel van handhaving op een aanvraag aansturen (stal moet voldoen aan het Besluit huisvesting van 1 januari 2010 tot en met 1 januari 2013);
  7. de bedrijven waar niet meer dieren worden gehouden dan het aantal dat in bijlage 2 bij het Besluit huisvesting is opgenomen, door middel van handhaving aansturen op een aanvraag (de stal moet voldoen op 1 januari 2013).

Deze taken kunt u gedeeltelijk of in zijn geheel neerleggen bij de Milieuadviesdienst. U kunt hiervoor contact opnemen met de heer F. Buijtelaar, tel. 058-2339076, e-mail f.buijtelaar@milieuadviesdienst.nl .